p. 1
vectron blue l 02.46 vectron blue l 02.60 vectron blue l 02.65 vectron blue l 02.74 gebruiksaanwijzing voor de gespecialiseerde vakman stookoliebrander low nox 2-15 operating instructions for the authorized specialist fuel-oil burners low nox 16-30 wisselstukkenlijst spare parts list 31-35 elektrische en hydraulische schema electric and hydraulic diagrams 37-39 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 2
overzicht inhoud pagina inhoud 16 belangrijke aanwijzingen 16 technische karakteristieken werkingsbereik 17 afmetingen beschrijving van de brander 18 functie brandercyclus en veiligheidsfunctie 19 branderautomaat sh 143 20 aansluitschema aansluitvoet 21 aansluiting de optie oliebranderpomp 22 ontstekingstransformator met geïntegreerde ionisatiebewaking 22 montage montage van de brander 23 inbouwsituatie van de brander 23 elektrische voeding stookolievoeding 24 ingebruikname testen voor de ingebruikname 25 instelgegeven controle menginrichting 25 recirculatie luchtregeling 26 oliedrukregeling 26 inregeling van de brander 26 zorg voor goede werking onderhoud 27-28 oplossen van storingen 29 kunnen er afwijkende emissiewaarden belangrijke aanwijzingen optreden voor de gegevens van de de branders vectron blue l 02 garantiewaarden moet u rekening voldoen qua constructie en functie aan houden met de voorwaarden voor de en 267 de branders zijn ontworpen meetinrichting toleranties voor de emissiearme verbranding van luchtvochtigheid en het stikstofgehalte huisbrandolie extra licht volgens de in de huisbrandolie landsnormeen a Önorm c1109 standaard en leef de volgende normen na voor een zwavelarm veilige betrouwbare milieuvriendelijke be nbn t52.716 stookolie en energiezuinige werking standaard en nbn en 590 zwavelarm din 4755 ch sn 181160-2 stookolie standaard stookolieverbranding in of zwavelarm verwarmingsinstallaties de din 51 603-1 standaard of zwavelarm en 226 aansluitmaten voor de verbinding van de branders zijn geschikt voor uitrusting branders en warmtegeneratoren van alle warmteapparaten binnen hun capaciteitsbereik die voldoen aan en en 60335 303 veiligheid van elektrische apparatuur voor toepassing in andere voor huishoudelijk gebruik verwarmingsapparaten of gebruik van een andere brandstof is de schriftelijke plaats van opstelling toestemming van elco vereist u mag de brander niet gebruiken in ruimten met agressieve dampen uitsluitend bevoegde vakkrachten bijvoorbeeld haarspray mogen de montage inbedrijfstelling en perchloorethyleen tetrachloorkoolstof het onderhoud verrichten waarbij de veel stof of hoge luchtvochtigheid geldende richtlijnen en voorschriften bijvoorbeeld spoelkeukens moeten worden nageleefd in zoverre voor de luchttoevoer geen externe luchtaansluiting is aangebracht beschrijving van de brander moet een toevoerlucht-opening de brander vectron blue l 02 is aanwezig zijn met een volautomatische 1-traps brander in zwitserland toevoerluchtopening in cm² één stuk uitgevoerd hij is uitgerust met een weinig vervuilende branderkop met groter dan brandercapaciteit interne rookgascirculatie de vereisten in kw x 6 echter minimaal van lrv at van lrv ch en van 150 cm² 1.bimschv de worden vervuld bij de duitsland tot 50 kw 150 cm² voor onderzoekingsvoorwaarden volgens iedere volgende kw 2,0 cm² en267 blijft de uitstoot van de brander plaatselijke voorschriften kunnen leiden binnen de vereisten van de strengste tot afwijkingen uitstootklasse 3 nox 120 mg/kwh co 60 mg/kwh afhankelijk van de geometrie en de belasting van de branderruimte en het brandersysteem driekamerketel omkeervlamketel overzicht 2 06/2008 art nr 13 023 234a conformiteitverklaring voor olie-ventilatiebranders wij fabriek gekeurd met nr aqf030 f-74106 annemasse cedex verklaren in exclusieve verantwoording dat de producten vectron blue l 02.46 vectron blue l 02.60 vectron blue l 02.65 vectron blue l 02.74 voldoen aan de volgende normen en 50165 en 55014 en 60335 en 60555-2 en 60555-3 en 267 belgisch koninklijk besluit van 08/01/2004 overeenkomstig de bepalingen van de richtlijnen 89 392 eg machinerichtlijn 89 336 eg richtlijn voor elektromagnetische verdraagzaamheid 2006 95 eg laagspanningsrichtlijn 92 42 eg rendementsrichtlijn werden deze producten voorzien van het ce-kenmerk annemasse op 1 juli 2007 j haep wij sluiten garantie uit voor schaden met de volgende oorzaken ondeskundig gebruik verkeerde montage of verkeerde reparatie door de koper of door derden inclusief het gebruik van onderdelen van derden overdracht en bedieningsaanwijzing de fabrikant van de branderinstallatie moet de exploitant van de installatie uiterlijk bij de overdracht een bedienings en onderhoudshandleiding verstrekken de exploitant moet deze goed zichtbaar in de ruimte van het warmteapparaat ophangen noteer het adres en telefoonnummer van de dichtstbijzijnde klantendienst aanwijzing voor de exploitant de installatie moet minstens eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een vakman we adviseren een onderhoudscontract af te sluiten om een regelmatige controle te garanderen.
[close]
p. 3
overzicht technische karakteristieken werkingsbereik blue l 02.46 blue l 02.60 blue l 02.65 blue l 02.74 39 46 45 60 49 65 56 74 overeenkomstig en 267 emissieklasse 3 en overeenkomstig lrv 3,3 3,9 3,8 5,1 4,1 5,5 4,7 6,2 stookolie el overeenkomstig landsnormen 4x6 eentraps met voorverwarming en sproeierstangafsluiter luchtregelschuif luchtafdichtklep 1:1 230v 50hz 365 18 130w ip 21 sh 143 ionisatie ebi-m 2 x 7,5kv op pomp bfp 21 l3 le-s r2 45 l/h 14bar fphb le 30 90w 67 60°c l 02 46 lichte olie afmetingen capaciteitgetal in kw blue l 02.60 blue l 02.65 brandercapaciteit min max kw certificering emissieklasse oliedebiet min max kg/h olie afmeting van zuigleiding mm hydraulisch systeem luchtregeling regelverhouding spanning opgenomen elektrisch vermogen w gewicht circa kg elektromotor 2800 min 1 elektrische beschermingsgraad branderautomaat vlambewaker ontstekingstransformator magneetklep verstuiverpomp sproeierstang met voorverwarming geluidsdrukniveau overeenkomstigdba omgevingstemperatuur max verklaring van de typeaanduiding dapa 10 8 6 4 2 0 25 blue l 02.46 mbar 1 0,8 0,6 0,4 0,2 dapa 10 8 6 4 2 0 35 mbar 1 0,8 0,6 0,4 0,2 60 dapa 10 8 6 4 2 0 45 49 mbar 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 75 kw 35 39 45 46 0 55 kw 45 55 0 65 kw 55 65 dapa 10 8 6 4 2 0 50 56 blue l 02.74 mbar 1 0,8 0,6 0,4 0,2 werkingsbereik het werkingsveld toont de brandercapaciteit als functie van het rookgaszijdig drukverlies deze komt overeen met de maximum waarden overeenkomstig en 267 gemeten aan de testvlambuis houd bij de branderselectie rekening met het ketelrendement berekening van de brandercapaciteit qf qn k qf qn k 06/2008 art nr 13 023 234a brandercapaciteit kw nominaal ketelvermogen kw ketelrendement 3 74 60 70 80 0 kw
[close]
p. 4
overzicht afmetingen beschrijving van de brander blue l 02 a mm 125 135 b mm 150-170 c m8 d 45° boringen in de ketelaansluitplaat a1 m1 pl t1 y y1 3 7 8 9 10 11 olie-branderregeling elektromotor voor pomp en ventilatorwiel luchtdrukaansluiting ontstekingstransformator regelbereik recirculatieopening magneetklep instelschroef recirculatieopening hoekstuk voor aanhaken behuizing slangklembeugel olieslangen 7-polige aansluitbus buishouder met aansluitflens en isolatieonderlaag 12 branderbuis 13 vlambuis bijartikel 14 ontgrendelknop 102 oliepomp 103b luchtdebietregeling 113 luchtkast 4 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 5
functie veiligheidsfunctie startfunctie wanneer van de installatie warmte wordt gevraagd wordt eerst de voorverwarming van de verstuivingslijn onder spanning gesteld in de verstuivingslijn geeft een thermostaat het afwikkelen van het kastprogramma vrij wanneer de instelwaarde voor de stookolie is bereikt bij koud opstarten duurt het voorverwarmen ongeveer 2 minuten werkingsfunctie de motor en de transformator worden onder spanning gesteld voorventilatie openen van het elektromagnetische ventiel 4 verschijnen van de vlam zonder spanning stellen van de transformator veiligheidsfunctie een storing veroorzaakt stilstand in volgende gevallen een vlamsignaal wordt waargenomen tijdens de voorventilatie parasietlicht bij de ontsteking openen van het ventiel wordt geen vlamsignaal waargenomen na 5s beveiligingstijd in geval van ongewild uitdoven en na een poging tot opnieuw aansteken verschijnt geen vlam stilstand wegens storing wordt aangegeven door de storingslamp de brander wordt ontgrendeld na verhelpen van de oorzaak van de storing door een druk op de ontgrendelingsknop schematische voorstelling l 02 principeschema 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 oliebranderpomp cpl oliedrukregelaar 104 oliebranderpomp magneetventiel voor sproeierlijn afsluiting y1 verwarmde sproeierstang e4 klep voor sproeierlijn afsluiting luchtklep brandermotor m1 branderbuis vlambuis 06/2008 art nr 13 023 234a 5
[close]
p. 6
functie branderautomaat sh 143 als u op r drukt gedurende minder dan 9 seconden dan leidt dat tot ontgrendelen of vergrendelen van de automaat de stookoliebranderautomaat sh 143 stuurt en bewaakt de aangeblazen brander omdat het programma door een microprocessor wordt uitgevoerd worden uiterst stabiele tijden bereikt die onafhankelijk zijn van schommelingen van de netspanning en van de omgevingstemperatuur de branderautomaat is niet gevoelig voor onderspanning als de netspanning onder de vereiste minimumwaarde ligt schakelt de automaat uit zonder storingssignaal wanneer de spanning terug normaal wordt start de automaat vanzelf informatiesysteem het geïntegreerde visuele informatiesysteem verschaft inlichtingen over de oorzaak van eventueel uitschakelen in storingstoestand de meest recente storingsoorzaak wordt in het apparaat opgeslagen en kan worden achterhaald bij het opnieuw inschakelen van het apparaat ook als de spanning is uitgevallen bij storingstoestand brandt de led in de ontgrendelingsknop r voortdurend tot de storing wordt bevestigd d.w.z tot de automaat wordt ontgrendeld om de 10 seconden wordt dit oplichten onderbroken en een flikkercode wordt uitgezonden die inlichtingen geeft over de oorzaak van de storingstoestand als toebehoren is een weergaveprogramma verkrijgbaar waarmee uit de automaat verdere uitvoerige inlichtingen kunnen worden uitgelezen over de werkings en storingsstappen die werden doorlopen vergrendeling en ontgrendeling de automaat kan via de ontgrendelingsknop r worden vergrendeld in storingstoestand gebracht en ontgrendeld teruggesteld als tenminste voedingsspanning aanwezig is op de automaat als de knop in normale werking of tijdens het opstarten wordt ingedrukt dan gaat het apparaat over in de storingstoestand als de knop wordt ingedrukt wanneer het apparaat zich al in storingstoestand bevindt dan wordt de automaat ontgrendeld voor het in of uitbouwen van de automaat moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld het apparaat mag niet geopend noch gerepareerd worden tussen 9 en 13 wissen van de seconden statistische gegevens van de automaat meer dan 13 seconden geen uitwerking op de automaat flikker-code informatie oorzaak van de storing wacht op vrijgave thermostaat van voorverwarmer voorventilatie voorontstekingtijd geen vlamsignaal na de beveiligingstijd parasietlicht gedurende de voorventilatie voorontstekingstijd knippercode manueel ontgrendelen na een storing zie ook vergrendeling verklaring kort lichtsignaal lang lichtsignaal pauze noodzakelijkeingangssignalen uitgangssignalen begrenzer voorverwarmer brandermotor stookolieventiel trafo vlamcontrole storing ontgrendeling 1 2 3 4 inschakelen van de automaat en van de voorverwarmer inschakelen van de brandermotor en de trafo inschakelen van het stookolieventiel vlamcontrole 5 0 10 uitschakelen van de ontstekingstrafo en werking uitschakeling van de regeling storingstoestand tw tv1 ts tn wachttijd voorverwarmer voorventilatietijd en voorontsteking beveiligingstijd naontstekingstijd 6 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 7
functie aansluitschema aansluitvoet klem stekker nr afstandsontgrendeling klem stekker nr stekker nr klem stekker nr klem vlamcontrole ontsteking elektromag ventiel ii elektromag ventiel i werkingsurenteller servomotor brandermotor elektrische voeding l1 klem 1 2 3 4 7 8 9 10 11 12 15 16 17 18 19 20 22 23 24 25 26 27 28 29 30 beschrijving klem a van de automaat klem 9 van de automaat klem 7 van de automaat nulleider klem 5 van de automaat aarding nulleider klem 4 van de automaat aarding nulleider klem 1 van de automaat klem 2 van de automaat klem 9 van de automaat klem b5 aan de wiel st 4p en klem 4 van de sm-st aarding nulleider klem 5 van de automaat en klem b4 op de wiel st 7p teller 1e trap klem b5 op de wiel st 4p.en klem 4 van de sm-st teller 2e trap nulleider fase fase aarding nulleider nulleider klem 3 van de automaat klem 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 54 55 56 beschrijving klem b van de automaat via de klemmen t6 en t7 in de 1e trap aan de wiel st 4p 1 van de sm-st klem c van de automaat 2 van de sm-st klem t1 aan de wiel st 7p 2 van de sm-st klem b5 aan de wiel st 4p 4 van de sm-st en fase van het ventiel 2 klem b4 aan de wiel st 7p 5 van de sm-st en fase van het ventiel 1 klem 5 van de automaat nulleider klem 3 van de automaat 7 van de sm-st klem 6 van de automaat 8 van de sm-st wanneer de brug tussen 4 en 6 of wanneer de verwarming warm is dan de klemmen 4 en 6 klem b van de automaat via de klemmen t6 en t8 aan de wiel st 4p 9 van de sm-st fase aarding nulleider klem 5 van de automaat ventiel klem 6 van de automaat verwarming klem 4 van de automaat verwarmingscontact aarding nulleider klem t8 op de wiel st 4p klem t6 aan de wiel st 4p klem t7 op de wiel st 4p klem t2 op de wiel st 7p klem 9 van de automaat fase aarding nulleider 06/2008 art nr 13 023 234a voortd ventilatie regelaar sproierlijnvoorverwarmer storingsmelding 7
[close]
p. 8
functie aansluiting de optie oliebranderpomp ontstekingstransformator met geïntegreerde ionisatiebewaking u kunt op de stekkerconsole onder de branderregeling diverse uitrustingsstukken aansluiten die verkrijgbaar zijn als toebehoren hiertoe moet u · op de betreffende insteekplaats de kunststof afdekking afbreken met behulp van een kleine schroevendraaier · vervolgens de kabel in de richting van de kardeeluitgang steken zie afbeeldingen · lees voor de verdere procedure de montagehandleiding uit het pakket toebehoren externe ontgrendeling oliebranderpomp de gebruikte pomp is een zelfaanzuigende tandwielpomp ze is uitgerust met een aanzuigfilter in de pomp zijn ingebouwd 1 vacuümmeteraansluiting 2 instelschroef van de oliedruk 5 drukaansluiting naar de sproeier 6 manometeraansluiting 7 magneetklep 8 filter s voedingsaansluiting r terugloopaansluiting pompfilter reinigen het filter bevindt zich onder de schroefaansluiting 8 het filter eruit schroeven voor de reiniging ontstekingstransformator met geïntegreerde ionisatiebewaking de gebruikte transformator gebruikt de elektroden die op de branderkop geïnstalleerd zijn zowel voor de ontsteking als voor de bewaking van de vlam via ionisatie de schakeltoestand van de vlambewaking wordt aangegeven via een groene led in de behuizing van de transformator uit geen spanning knippert:geen vlamsignaal aan vlam aanwezig 8 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 9
montage montage van de brander inbouwsituatie van de brander montage van de brander de branderflens 3 is voorzien van lange gaten en kan worden gebruikt voor een diameterbereik van 150 170 mm deze maten komen overeen met en 226 door het verschuiven van de buishouder 2 op de branderbuis kan de insteekdiepte van de menginrichting worden aangepast aan de betreffende geometrie van de branderruimte de insteekdiepte blijft onveranderd bij de montage en demontage door de buishouder 2 wordt de brander bevestigd aan de aansluitflens en daarmee aan de ketel hiermee wordt de branderruimte dicht afgesloten montage van de vlambuis · open na de montage van de brander de deur van de ketel · plaats vlambuis 6 op de buis van de brander 7 en draai deze rechtsom tot de bajonetsluiting 8 stevig gesloten is insteekdiepte van de brander stel de insteekdiepte van de brander zodanig in dat de achterkant 9 van de recirculatieopening 10 vlak afsluit met de isolatie van de keteldeur 11 sluit de keteldeur voorzichtig let op de vrije draairadius van de vlambuis 6 trek de brander desgewenst verder terug en snij de keteldeurisolatie overeenkomstig uit de recirculatieopening moet omwille van een ongehinderde rookgascirculatie volledig vrij en goed toegankelijk in de vuurhaard liggen de opening mag in geen geval afgedekt zijn door isolatiemateriaal afzuiginstallatie gebruik bij de rookgasaansluiting van de ketel geen rechthoekige aansluitstukken om eventuele hinderlijke geluidsemissies te vermijden montage · bevestig de aansluitflens 3 met schroeven 4 aan de ketel · buishouder 2 aan de branderbuis monteren en bevestigen met schroef 1 draai schroef 1 vast met een moment van maximaal 6 nm · draai de brander enigszins breng hem in de flens en bevestig hem met schroef 5 demontage · draai schroef 5 los · draai de brander uit de bajonetsluiting en trek hem uit de flens de minimale afstand tussen de voorrand van de vlambuis en de achterwand van de verbrandingskamer kan worden berekend met de behulp van de volgende formule 70 x q waarbij q de hoeveelheid stookolie in kg/u voor de minimale lengte van de verbrandingskamer lf krijgen we dus lf e lt 70 x q lt vbl02 208 mm 06/2008 art nr 13 023 234a 9
[close]
p. 10
montage elektrische voeding stookolievoeding uitsluitend de elektrovakman mag de elektrische installatie en aansluitwerkzaamheden verrichten neem daarbij de geldende voorschriften en richtlijnen in acht elektrische aansluiting · controleer of de netspanning overeenkomt met de aangegeven bedrijfsspanning van 230 v 50 hz afzekering van de brander 10 a elektrische stekkerverbinding de brander moet van het net kunnen worden verwijderd met behulp van een meerpolige onderbreker overeenkomstig de normen van kracht brander en warmteapparaat ketel worden met elkaar verbonden via een 7-polige stekkerverbinding 2 de kabels die op die connector zijn aangesloten moeten een diameter hebben tussen 8,3 en 11 mm stookolievoeding de meegeleverde olieslangen zijn reeds aangesloten op de oliebranderpomp de voorloopslang heeft een speciale markering om verwisseling te voorkomen de olieaansluiting vindt plaats via een enkelleidingsysteem met ontluchtingsfilter plaats het filter zodanig dat een vakkundige slanggeleiding gegarandeerd is de slangen mogen niet knikken de olieleiding moet een nominale doorlaat dn4 of dn6 hebben afhankelijk van zuigleidingslange en zuighoogte zie elco-richtlijn in zwitserland leiding polyamide olietoevoer de olietoevoer moet zorgvuldig worden geïnstalleerd overeenkomstig din 4755 en de plaatselijke voorschriften ter garantie van de bedrijfsveiligheid van de installatie gebruik een filter met een zeefwijdte 50 µm neem de grenswaarden voor zuigleidingslangen en zuighoogtes overeenkomstig de procal en/of elcorichtlijn respectievelijk de richtlijn voor de opzet en dimensionering van apparaten met zuiginstallatie in acht de zuigleiding wordt bij kubusvormige tanks tot 5 cm en bij cilindrische tanks tot 10 cm boven de tankbodem geleid let op het volgende · maximum toevoerdruk aan de pomp 1,5 bar · maximum aanzuigvacuüm aan de pomp 0,4 bar · zuig vóór de inbedrijfstelling olie aan met de handpomp en controleer de olieleidingen op dichtheid 10 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 11
ingebruikname testen voor de ingebruikname instelgegeven controle menginrichting testen voor de ingebruikname controleer de volgende punten vóór de eerste inbedrijfstelling · correcte montage van de brander overeenkomstig deze handleiding · correcte instelling van de brander overeenkomstig de gegevens uit de insteltabel · instelling van de menginrichting juiste sproeier moeten zijn geplaatst · warmteapparaat moet bedrijfsklaar zijn gemonteerd neem de bedrijfsvoorschriften van het warmteapparaat in acht · alle elektrische aansluitingen moeten correct zijn uitgevoerd · warmteapparaat en verwarmingssysteem zijn voldoende gevuld met water circulatiepompen draaien · temperatuurregelaar drukregelaar beveiliging tegen watertekort en overige eventueel aanwezige veiligheidsbegrenzingsinstallaties zijn correct aangesloten en bedrijfsklaar · afzuigkanalen moeten vrij zijn tweede luchtinstallatie indien aanwezig in functie · voldoende toevoer van frisse lucht moet zijn gegarandeerd · warmteafname moet aanwezig zijn · brandstofopslagtanks moeten zijn gevuld · brandstofleidingen moeten vakkundig zijn gemonteerd moeten zijn gecontroleerd op dichtheid en moeten zijn ontlucht · meetpunt voor de afvoergas-meting overeenkomstig de normen moet aanwezig zijn afvoertraject tot aan het meetpunt moet dicht zijn zodat meetresultaten niet worden beïnvloed door omgevingslucht brander l 02.46 l 02.60 l 02.65 l 02.74 brandercapaciteit kw 39 40 45 44 48 57 49 55 64 56 62 74 luchtsproeier Ø mm 25 25 25 27 27 27 29 29 29 31 31 31 sproeier danfoss gph 0,75 0,75 0,85 0,85 1 1,1 1 1,1 1,25 1,1 1,25 1,35 pompdruk sproeier bar 13 14 15 14 14 15 16 14 16 15 14 17 80° s 80° s 80° s 80° s druk in de luchtregeling branderbuis schaal mbar 15 9,5 30 10,5 90 12 5 10 15 10,5 90 15,2 5 9,5 15 11 90 15 5 9,5 15 10,5 90 14,5 regeling recirculatie schaal 7 7 7 9 9 9 10 10 10 10 10 10 maat sproeier luchtsproeier mm 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 bovenstaande instelgegevens zijn basisinstellingen de fabrieksinstelgegevens zijn voorzien van een vette rand met deze instellingen kan de brander normaliter in bedrijf worden genomen controleer de instelwaarden in ieder geval grondig gebruik bij opstart bij voorkeur de opgegeven standaardwaarden per installatie kunnen correcties nodig zijn aanbevolen sproeiers voor het bereiken van de juiste verbrandingswaarden danfoss 80° s controle van het mengtoestel voor de instelling van de afstand tussen de ontstekingselektroden en de afstand tussen de oliesproeier en de straalpijp kan de instelsjabloon worden gebruikt die samen met de brander wordt geleverd afstand oliesproeier luchtsproeier maat y 06/2008 art nr 13 023 234a 11
[close]
p. 12
ingebruikname recirculatie luchtregeling oliedrukegeling inregeling van de brander instelling van de recirculatie sluit een no en co-meetapparaat aan voor de juiste instelling van het recirculatiedebiet u stelt de breedte van de recirculatieopening in door de menginrichting in de branderbuis axiaal te verplaatsen de positionering vindt plaats aan de instelschroef a overeenkomstig de aangegeven waarde in de tabel instelgegevens deze waarde kan worden afgelezen op de schaal y na de inregeling van de recirculatie moet u na een bedrijfspauze van circa 5 minuten opnieuw proberen te starten wanneer de brander niet of te luchtregeling via luchtklep de luchtregeling aan aanzuigzijde geschiedt via een luchtklep die wordt met een regelknop 103b ingesteld laat start moet u de recirculatie op een kleinere waarde instellen tot een veilige start is gegarandeerd koude start gebruik de brander niet met een veel te kleine of een gesloten recirculatieopening dit zou kunnen leiden tot een sterke temperatuurstijging in de menginrichting en tot beschadiging van de menginrichting de regeling van de hoeveelheid lucht vindt plaats door te draaien aan de regelknop 1 draai de regelknop naar rechts om de luchtstroom te verminderen meer co2 naar links om de luchtstroom te vergroten minder co2 de afstelwaarde volgens de afsteltabel kan worden afgelezen op de schaal 2 voor een exacte afstelling dient u een daarvoor geschikt meetinstrument te gebruiken de co2 waarde moet worden ingesteld tussen 12,5 et 13,5 instelling van de oliedruk u stelt de oliedruk en daarmee de brandercapaciteit in met de olieregelaar 2 in de pomp draaien rechts drukverhoging links drukverlaging ter controle moet op de manometeraansluiting 6 een manometer worden geplaatst schroefdraad r 1/8 onderdrukcontrole sluit de vacuümmeter voor de onderdrukcontrole aan op de aansluiting 1 r 1/8 hoogst toelaatbare onderdruk 0,4 bar bij een hogere onderdruk vergast de verwarmingsolie waardoor de pomp caviteert en beschadigd kan raken de brander starten zuig vóór de start van de brander olie aan met de handpomp tot het filter volledig is gevuld start vervolgens de brander door de ketelregelaar in te schakelen open de ontluchtingsschroef op het oliefilter tijdens de voorbeluchtingsfase voor een volledige ontluchting van de olieleiding hierbij mag de onderdruk niet lager zijn dan 0,4 bar sluit de ontluchtingsschroef wanneer er luchtbellenvrije olie komt en het filter geheel is gevuld met olie deflagratiegevaar controleer tijdens het inregelen continu co co2 en roetemissies bij co-vorming moet u de verbrandingswaarden optimaliseren het co-aandeel mag niet hoger zijn dan 50 ppm instelling van de brandervermogen · via drukregelaar oliedruk overeenkomstig gewenst brandervermogen instellen hierbij continu de verbrandingswaarden controleren co co2 roettest indien nodig luchthoeveelheid aanpassen zo nodig stap voor stap 06/2008 art nr 13 023 234a let op minimaal noodzakelijke rookgastemperatuur volgens opgave van de ketelfabrikant en overeenkomstig eisen rookgaswegen ter voorkoming van condensatie in acht nemen 12
[close]
p. 13
zorg voor goede werking onderhoud servicewerkzaamheden aan de ketel en brander worden uitsluitend door een erkende verwarmingsmonteur uitgevoerd om regelmatige uitvoering van de servicewerkzaamheden te waarborgen dient de exploitant van de installatie te worden aanbevolen om een onderhoudscontract af te sluiten · vóór onderhouds en schoonmaakwerkzaamheden stroom uitschakelen · alleen originele wisselstukken gebruiken in het kader van het jaarlijks onderhoud aan de brander aanbevolen werkzaamheden proefdraaien van de brander ingangsmeting reinigen van het mengontstekingstoestel en zo nodig defecte onderdelen vervangen ventilatorwiel en ventilator reinigen en pompkoppeling controleren oliesproeier controleren zo nodig vervangen controle resp vervanging van het oliefilter optische controle van de olieslangen zo nodig vervangen visuele controle van de basisplaat demonteren · branderkap verwijderen · schroeven van de basisplaat losschroeven · basisplaat verwijderen en in servicestand inhangen zie afbeelding branderelektronica zo nodig storingen verhelpen branderstart controleren bij werkende brander oliedruk en vacuüm controleren functiecontrole vlambewaker en verbrandingsautomaat correctie van de instelwaarden indien nodig meetprotocol opstellen algemene controles functiecontrole van de noodschakelaar visuele controle van de in de verwarmingsruimte aanwezige olieleidingen controle van het mengtoestel · ontstekingskabel afkoppelen · borgschroef x losschroeven · de meng en ontstekingsinrichting uitnemen · sproeier vervangen · de ontstekingselektroden en de ontstekingskabel controleren en eventueel vervangen · de meng en ontstekingsinrichting reinigen · bij het monteren instellingen controleren demonteren ontstekings en ionisatie-elektroden · bevestigingsschroef 10 uitdraaien · elektroden 9 uit de geleiding trekken reiniging ventilatorturbine · ventilatorturbine reinigen indien nodig vervangen reiniging van de luchtaanzuigkast · bevestigingsbouten v van luchtaanzuigkast eruit draaien · luchtaanzuigkast verwijderen en reinigen en in omgekeerde volgorde weer in elkaar zetten · op de correcte stand van luchtklep en servo-aandrijving letten 06/2008 art nr 13 023 234a 13
[close]
p. 14
zorg voor goed werking oplossen van storingen pompfilter reinigen · neem het filter er uit · reinig of vervang het voorzichtig · plaats het filter 11 weer · controleer of vervang de afdichting · monteer het filter filter van de olieleiding reinigen · sluit de afsluiter aan het filter · reinig of vervang het filterelement · gebruik een filterelement met een maaswijdte 50 µm · controleer bij het openen van de afsluiter de filterinstallatie op dichtheid vervangen van de vlambuis · stroom uitschakelen · met open keteldeur de vlambuis 2 draaien en verwijderen bajonetsluiting · vlambuis kan heet zijn vervangen van de branderpijp · borgschroef 12 aan de aansluitflens losdraaien · brander uit de bajonetsluiting draaien lichtjes optillen en uit de aansluitflens trekken branderpijp demonteren branderpijp kan heet zijn · 4 bevestigingsschroeven 4 losdraaien · branderpijp 5 draaien en verwijderen bajonetsluiting belangrijk na elke ingreep de verbrandingswaarden onder bedrijfsomstandigheden controleren gesloten verwarmingsruimtedeur gemonteerde kap enz meetwaarden in documenten verwarmingsruimte noteren controle van de rookgastemperatuur · regelmatig de rookgastemperatuur controleren · ketel reinigen als de rookgastemperatuur de waarde van de inbedrijfsteling met meer dan 30k overschrijdt · om de controle te vereenvoudigen een rookgasthermometer gebruiken 14 06/2008 art nr 13 023 234a
[close]
p. 15
zorg voor goede werking oplossen van storingen oorzaken en oplossen van storingen bij storingen moeten de basisvoorwaarden voor een normale werking worden gecontroleerd 1 is er stroom 2 is er stookolie in de tank 3 staan alle afsluiters open 4 staat alle regel en veiligheidsapparatuur zoals ketelthermostaat beveiliging watertekort eindschakelaars enz correct ingesteld als de storing niet kan worden verholpen na bovenstaande controles dan moet de werking van de verschillende onderdelen van de brander worden gecontroleerd · de lichtsignalen lezen die door de branderautomaat worden uitgezonden zie hun betekenis in de tabel hieronder als toebehoren is het weergaveprogramma verkrijgbaar waarmee uit de automaat verdere uitvoerige inlichtingen kunnen worden uitgelezen over de werkings en storingsstappen die werden doorlopen de veiligheidscomponenten mogen niet worden gerepareerd en moeten door onderdelen met hetzelfde bestelnummer worden vervangen alleen originele wisselstukken gebruiken storing oorzaak oplossing na een uitschakeling door de thermostaat start de brander niet opnieuw de automaat meldt geen storing geen of te lage voedingsspanning er wordt geen warmte gevraagd door de thermostaat storing van de automaat de oorzaak van stroomonderbreking of van de te lage spanning opsporen thermostaat controleren automaat vervangen de brander start bij het inschakelen gedurende zeer korte tijd schakelt dan uit en zendt volgend signaal uit de automaat werd opzettelijk vergrendeld automaat ontgrendelen na een uitschakeling door de thermostaat start de brander niet meer en zendt volgend signaal uit parasietlicht bij de voorventilatie of de voorontsteking elektromagnetisch ventiel vervangen de brander start gaat kort na het inschakelen van de ontstekingstrafo over in storingstoestand en meldt volgend signaal geen vlam na afloop van de beveiligingstijd het oliepeil in de tank controleren de tank eventueel bijvullen ventielen openen oliedruk en werking van de pomp koppeling filter elektromagnetische ventiel controleren ontstekingscircuit elektroden en hun instellingen controleren elektroden reinigen indien nodig de volgende onderdelen vervangen elektroden ontstekingskabel trafo sproeier 06/2008 art nr 13 023 234a 15
[close]